Buursma Administratie en Advies

Buursma Administratie en Advies Contactgegevens, kaart en routebeschrijving, contactformulier, openingstijden, diensten, beoordelingen, foto's, video's en aankondigingen van Buursma Administratie en Advies, Belastingconsulent, Ottolaan 14, Drachtstercompagnie.

05/03/2018

Controleer de WOZ-waarde van uw woning

Ieder voorjaar ontvangt u van de gemeente de WOZ-beschikking voor uw eigen woning. De WOZ-beschikking 2018 kent als waardepeildatum 1 januari 2017. Omdat de huizenmarkt inmiddels flink is aangetrokken, mag verwacht worden dat ook de WOZ-waarde van uw woning is gestegen. Het kan geen kwaad om de vastgestelde waarde te controleren. Bent u van mening dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, dan kunt u tegen de beschikking bezwaar maken.

De gemeente moet uw bezwaarschrift binnen zes weken na dagtekening van de beschikking hebben ontvangen. Bent u te laat met het indienen van uw bezwaarschrift, dan kunt u niet in beroep gaan bij de rechter tegen de reactie van de gemeente op uw bezwaar. De WOZ-waarde is niet alleen van belang voor lokale heffingen als de onroerendezaakbelasting en de waterschapslasten, maar ook voor de inkomstenbelasting (via het eigenwoningforfait) en mogelijk de schenk- en erfbelasting.

21/11/2017

Overtollige liquiditeiten en toevoeging oudedagsreserve

Een ondernemer, die aan het begin van een kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, kan ten laste van zijn winst toevoegen aan zijn oudedagsreserve. Om aan de oudedagsreserve te mogen toevoegen moet de ondernemer aan het urencriterium voldoen. De toevoeging bedraagt 12% van de winst, met een maximum van € 9.542 (2013). Premies voor een pensioenregeling verlagen de toevoeging. De toevoeging kan niet hoger zijn dan het verschil tussen het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar en het ondernemingsvermogen aan het begin van het kalenderjaar. De hoogte van het ondernemingsvermogen is van invloed op de oudedagsreserve.

De Belastingdienst corrigeerde het ondernemingsvermogen van een ondernemer omdat in de onderneming een te groot bedrag aan liquide middelen werd aangehouden. Volgens de Belastingdienst was een deel daarvan duurzaam overtollig. Dat had tot gevolg dat de ondernemer niet kon toevoegen aan zijn oudedagsreserve. Zijn belastbare winst werd daardoor verhoogd. De rechtbank stelde in de beoordeling voorop dat de ondernemer de keuze heeft om liquide middelen al dan niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, zolang hij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Het standpunt dat liquide middelen, die zijn opgekomen binnen de onderneming, in ieder geval behoren tot het ondernemingsvermogen tot het moment waarop zij worden aangewend, is niet juist. Een ondernemer mag de liquide middelen die nodig zijn voor de financiering van lopende bedrijfsuitgaven en voor te verwachten investeringen tot zijn ondernemingsvermogen rekenen. Daarboven mag hij ook de liquide middelen ter dekking van risico’s, tot opbouw en instandhouding van reserves en versterking van de onderneming aanhouden. De aard en omvang van de onderneming zijn van invloed op de hoeveelheid aan te houden liquide middelen.

De Belastingdienst meende dat een bedrag van € 50.000 aan liquide middelen redelijk was om tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Met het aanhouden van liquide middelen voor de dekking van risico’s en voor de opbouw en instandhouding van reserves en dergelijke was geen rekening gehouden. Volgens de rechtbank was daar wel aanleiding toe, al vond de rechtbank de omvang van de post liquide middelen van € 388.988 op de balans te hoog in relatie tot de aard en omvang van de onderneming. De rechtbank stelde het tot het ondernemingsvermogen te rekenen deel van de liquide middelen in goede justitie vast op € 175.000 per 31 december 2013. Het ondernemingsvermogen was aan het einde van het kalenderjaar door de correctie hoger dan de stand van de oudedagsreserve aan het begin van het kalenderjaar. Daardoor was de in de aangifte geclaimde toevoeging aan de oudedagsreserve mogelijk.

24/10/2017

Liever een oude auto van de zaak?

De werknemer met een auto van de zaak wordt geconfronteerd met een bijtelling bij zijn inkomen. De wet bevat namelijk de fictie dat een auto die voor zakelijk gebruik ter beschikking wordt gesteld, ook voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld. De reguliere bijtelling voor auto’s, die in 2017 op kenteken worden gezet, bedraagt 22% van de waarde van de auto. De bijtelling wordt berekend over de oorspronkelijke cataloguswaarde van de auto inclusief btw en bpm. Voor auto’s die voor 1 januari 2017 op kenteken zijn gesteld, gelden andere percentages. De afgelopen jaren waren hybride auto’s populair onder werknemers, omdat voor dergelijke auto’s een lager bijtellingspercentage van toepassing was. De belangstelling voor hybride auto's is afgenomen omdat voor dergelijke auto's inmiddels het reguliere bijtellingspercentage geldt.

Uit cijfers van de BOVAG blijkt dat steeds meer zakelijke rijders kiezen voor een oudere auto. De reden daarvoor is de lagere bijtelling. Anders dan voor jongere auto’s wordt de bijtelling voor het privégebruik van auto’s van 15 jaar en ouder niet berekend over de oorspronkelijke catalogusprijs, maar over de waarde van de auto in het economisch verkeer. Wel geldt voor deze categorie een hoger bijtellingspercentage van 35.

Voorbeeld
Een snelle zoektocht op internet levert een keurige Audi A6 met een 2,5 liter 6-cilinder dieselmotor met slechts 180.000 km op de teller op voor € 3.500. De bijtelling voor deze auto bedraagt 35% van € 3.500 is € 1.225 per jaar, dus iets meer dan € 100 per maand. Netto kost het privégebruik de berijder € 637 per jaar, uitgaande van een belastingtarief van 52%. Vergelijken we deze auto met een nieuwe A6 met een 6-cilinder dieselmotor, dan moeten we uitgaan van de catalogusprijs van minimaal € 61.600. De bijtelling komt dan uit op een bedrag van € 13.550 per jaar. Netto is dat ruim € 7.000.
Het leasetarief voor deze auto bij een jaarkilometrage van 20.000 en een leaseperiode van 60 maanden bedraagt bijna € 1.000 per maand, exclusief btw. Voor dat geld kan men zakelijk wel de mogelijke extra onderhoudskosten van een oudere auto dragen.

Toegegeven, het is appels met peren vergelijken (een nieuwe auto versus een 20 jaar oude), maar het maakt de verschillen wel duidelijk.

14/02/2017

Een lening is onzakelijk als de geldverstrekker een debiteurenrisico accepteert dat een buitenstaander niet zou hebben willen nemen. Daarvan is sprake als er geen rente kan worden vastgesteld die het verstrekken van de lening voor een onafhankelijke derde acceptabel zou hebben gemaakt. Aanvankelijk leek de onzakelijke lening zich alleen te kunnen voordoen tussen gelieerde partijen, zoals een moeder- en een dochtervennootschap of tussen een aandeelhouder en de vennootschap. Volgens een arrest van de Hoge Raad kan ook een lening tussen niet-gelieerde partijen onzakelijk zijn. Het gaat dan om gevallen waarin de vennootschap het debiteurenrisico heeft aanvaard om het belang van haar aandeelhouder te dienen.

Volgens de rechtbank was een lening die de bv van een vader verstrekte aan de bv van zijn zoon onzakelijk. De rechtbank vond dat de vader als mede-initiatiefnemer van een project van de bv van de zoon zijn bv de financiering had laten verstrekken om het project door te laten gaan. Om dat mogelijk te maken heeft de bv van vader een onzakelijk debiteurenrisico aanvaard. Als voorwaarde voor een bancaire financiering eiste de bank dat de familie ook een lening zou vertrekken aan de bv van de zoon in de vorm van een achtergestelde lening. Alle zekerheden gingen naar de bank. De door de bv van vader verstrekte lening was ook aflossingsvrij. Daarnaast was aflossing alleen toegestaan als werd voldaan aan door de bank gestelde voorwaarden. Mede vanwege de familieband tussen vader en zoon heeft de bv van vader de lening verstrekt aan de bv van zoon om het belang van vader te dienen, aldus de rechtbank. Gevolg van de kwalificatie als onzakelijke lening was dat de bv van vader de lening niet mocht afwaarderen ten laste van haar winst

11/11/2016

Einde aan aftrek huurkosten werkkamer ondernemer

Zoals eerder al aangekondigd heeft de staatssecretaris van Financiën een voorstel ingediend om de aftrek van een deel van de huur van de woning door een ondernemer te voorkomen. Het voorstel is een reactie op een arrest van de Hoge Raad. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat het huurrecht van een woning ondernemingsvermogen kan zijn als de woning voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Dit arrest heeft tot gevolg dat ondernemers en resultaatgenieters de kosten van een onzelfstandige werkruimte in een gehuurde woning ten laste van de winst of het resultaat kunnen brengen. Ondernemers en resultaatgenieters met een eigen woning hebben die mogelijkheid niet. Een werkruimte is onzelfstandig als een eigen opgang en eigen sanitaire voorzieningen ontbreken.

De nu voorgestelde wetswijziging houdt in dat de aftrek van de kosten en lasten van (delen van) een gehuurde woning wordt uitgesloten. Op deze uitsluiting wordt een uitzondering gemaakt voor de kosten en lasten van een zelfstandige werkruimte. Door deze aanpassing worden ondernemers en resultaatgenieters met een onzelfstandige werkruimte gelijk behandeld, ongeacht of zij in een huurwoning of in een koopwoning wonen. De verwachte opbrengst van deze aanpassing wordt gebruikt om de beperking van de gemengde kostenaftrek te verminderen. Momenteel zijn deze kosten voor 73,5% aftrekbaar. Het voorstel is deze kosten voor 80% aftrekbaar te maken.

20/10/2016

Kosten onderneming niet aftrekbaar als persoonlijke verplichting
October 19, 2016

Uitgaven voor scholing kunnen onder voorwaarden een aftrekpost vormen in de inkomstenbelasting. Het moet gaan om de uitgaven die iemand doet voor het volgen van een opleiding, die is gericht op het verwerven van inkomen in box 1. De opleiding kan gevolgd worden om nieuwe vakkennis of bekwaamheid te verwerven, maar ook om bestaande vakkennis of bekwaamheid in stand te houden.

Een procedure voor de rechter ging over de vraag of iemand de door zijn echtgenote gemaakte opleidingskosten in aftrek kon brengen. Opmerkelijk was dat de echtgenote een zelfstandige ondernemer was en dat de opleiding betrekking had op het op peil houden van de vakkennis van de echtgenote. De opleidingskosten vormden dus kosten van de onderneming en konden in mindering gebracht worden op de winst uit onderneming van de echtgenote. Dat had tot gevolg dat de man deze kosten niet als scholingsuitgaven in aftrek kon brengen. Anders dan de man meende heeft hij hierin niet de vrije keus. Het enkele feit dat de echtgenote na toepassing van de zelfstandigenaftrek een zo lage winst had dat aftrek van de gemaakte kosten fiscaal geen nut had, maakte dat niet anders.

Adres

Ottolaan 14
Drachtstercompagnie
9207JR

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Buursma Administratie en Advies nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact

Stuur een bericht naar Buursma Administratie en Advies:

Delen